Wet & Duiding Fiscale procedure en fiscaal strafrecht -  - ebook

Wet & Duiding Fiscale procedure en fiscaal strafrecht ebook

0,0
715,30 zł

Opis

Handige en overzichtelijke bundeling van relevante wetgeving inzake de fiscale procedure (directe en indirecte belastingen) en debepalingen van fiscaal strafrecht:Het laatste decennium zijn er meer en meer raakvlakken ontstaan tussen de fiscale en de strafrechtelijke rechtspraktijk. Mede door een toenemende maatschappelijke intolerantie tegenover  fiscale fraude, verzeilt een fiscaal geschil sneller dan voorheen in de strafrechtelijke sfeer en worden fiscale inbreuken ook strafrechtelijk vervolgd.Vandaar een codex met twee delen: fiscale procedure en fiscaal strafrecht. De wetgevende teksten (meer dan 50!) zijn bijgewerkt tot 1 april 2013. Grondig becommentarieerd op basis van rechtspraak en rechtsleer, onmisbaar voor toepassing in de praktijk:Deze codex heeft als doel aan de gebruiker de wetteksten ter beschikking te stellen die nodig zijn om een fiscaal administratieve of fiscaal strafrechtelijke procedure te voeren. Daarbij wordt bij de bepalingen - voor zover nodig - duiding gegeven.De wetgeving wordt toegelicht door middel van uitvoerige, doorgaans artikelsgewijze commentaren, die de wetgeving verduidelijken aan de hand van rechtspraak en rechtsleer.Deze annotaties, die vaak bestaan uit overzichtscommentaren, vormen bij de oplossing van complexe vraagstukken de uitvalsbasis voor verder onderzoek.

Ebooka przeczytasz w aplikacjach Legimi lub dowolnej aplikacji obsługującej format:

EPUB

Liczba stron: 3590




LarcierWet en Duiding

Fiscale Procedure en Fiscaal Strafrecht 2013

Alle teksten zijn gecoördineerd tot 1 april 2013 (publicatiedatum Belgisch Staatsblad)

© Groep Larcier n.v., 2013 – Minimenstraat 39 – 1000 BrusselDe redactie en de uitgever van de LARCIER WET EN DUIDING besteden de grootste zorg aan de publicatie van de teksten, maar zijn in geen geval gehouden tot een resultaatsverbintenis mochten bepaalde vergissingen aan hun waakzaamheid ontsnapt zijn.Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.Deze digitale versie van het werk werd voor Groep Larcier verwezenlijkt. Wij vragen u het literaire en artistieke eigendom te eerbiedigen. Illegale kopieën bedreigen de toekomst van het boek.ISBN 978-2-8044-6206-2

Editors:

Bart Spriet

Hans Symoens

Voorwoord

Het laatste decennium zijn er meer en meer raakvlakken ontstaan tussen de fiscale en de strafrechtelijke rechtspraktijk. Mede door een toenemende maatschappelijke intolerantie tegenover fiscale fraude, verzeilt een fiscaal geschil sneller dan voorheen in de strafrechtelijke sfeer en worden fiscale inbreuken ook strafrechtelijk vervolgd. Vandaar een codex met twee delen: fiscale procedure en fiscaal strafrecht.

Deze codex heeft als doel aan de gebruiker de wetteksten ter beschikking te stellen die nodig zijn om een fiscaal administratieve of fiscaal strafrechtelijke procedure te voeren. Daarbij wordt bij de bepalingen - voor zover nodig - duiding gegeven. Het is evenwel geen uitgebreid en volledig handboek. Voor sommige aspecten zult u zich dus tot werkelijke handboeken van fiscaal recht en/of van (fiscaal) strafrecht moeten wenden.

Deze codex is voor en door de praktijk gemaakt. Mocht u derhalve bij het gebruik van deze codex vaststellen dat er wetsartikelen ontbreken, zou u ons, maar vooral de andere gebruikers een grote dienst bewijzen door ons dat te melden.

Bart Spriet Hans Symoens

April 2013

Editors

Bart Spriet

Bart Spriet doceert vakken van strafrecht aan de KU Leuven en UHasselt, en is tevens advocaat aan de balie te Turnhout. Zijn praktijk is uitsluitend gericht op het strafrecht, met inbegrip van het fiscaal strafrecht.

Hans Symoens

Hans Symoens is advocaat bij Alfa Advocaten. Zijn praktijk is uitsluitend fiscaal gericht en bestaat overwegend uit het behandelen van fiscale geschillen. Hij is ingeschreven aan de balie te Brussel en te Antwerpen.

Auteurs

Robby Ackermans

Robby Ackermans is Counsel bij Tiberghien Advocaten en lid van de balie te Brussel. Hij specialiseerde zich in het Internationaal belastingrecht en het Belgische successierecht. Robby is Lector belastingrecht aan de Antwerpse Management School en Syntra. Tevens is hij auteur van verschillende werken over belastingrecht en vermogensplanning.

Kris Beirnaert

Kris Beirnaert behaalde zijn rechtendiploma aan de KU Leuven in 2001, en een masterdiploma in economisch recht aan de VUB in 2002. Hij behaalde ook het diploma m.b.t. de beroepsopleiding in de cassatieprocedures, georganiseerd door de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie (2007-2011). Sedert 2002 is hij actief als advocaat in het economisch-financieel strafrecht (balie Brussel, DLA Piper). Tijdens het academiejaar 2007-2008 was hij ook deeltijds praktijkassistent verbintenissenrecht aan de KU Leuven. Hij schreef een aantal bijdragen voor het Tijdschrift voor Strafrecht, het Rechtskundig Weekblad en de Juristenkrant, en is mede-auteur bij diverse Wet&Duiding-publicaties (Strafrecht, Strafprocesrecht, Fiscale procedure en fiscaal strafrecht, en Wegverkeer).

Tom Decaigny

Tom Decaigny is docent strafrecht-strafvordering en Internationaal en Europees strafrecht aan de VUB. Hij is tevens advocaat en sectiehoofd strafrecht van het BJB te Antwerpen. Hij is lid van de redactie van het Tijdschrift voor Strafrecht en vaste medewerker bij de Juristenkrant.

Robrecht De Keersmaecker

Robrecht De Keersmaecker is substituut-procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.

Luc Delbrouck

Luk Delbrouck is oprichtend vennoot van Delbrouck-Daeninck Advocaten en specialiseerde zich in het strafrecht. Hij maakt deel uit van diverse redactieraden en verzorgt op geregelde basis juridische artikels. Hij was een tijdlang als assistent verbonden aan het Instituut voor strafrecht aan de KU Leuven.

Daniel De Wolf

Daniel De Wolf is thans docent strafrecht en strafprocesrecht aan de VUB. Hij doctoreerde in 2009 op het onderwerp "De rol van de rechter bij de waarheidsvinding in de correctionele procedure". Hij is tevens advocaat te Brussel.

Stijn Dinneweth

Stijn Dinneweth is advocaat bij Tiberghien Advocaten te Brussel. Na zijn master in de rechten (UGent, 2006), behaalde hij een master in de fiscaliteit (UGent, 2007) en een master in het notariaat (UGent, 2008). Hij is gespecialiseerd in estate planning en familiaal vermogensrecht.

Erwin Francis

Erwin Francis is raadsheer in het Hof van Cassatie.

Petra Gabriël

Petra Gabriël is sinds 2006 advocaat bij de balie van Brussel. Zij adviseert bij Tiberghien Advocaten onder meer familiale ondernemers bij hun vermogens- en successieplanning. Petra behaalde haar Master in de Rechten en een Master in het Fiscaal Recht aan de VUB, waaraan ze als vrijwillig wetenschappelijk medewerker verbonden is.

Franky Goossens

Franky Goossens is doctor in de rechten (2006, met een proefschrift over politiebevoegdheden en mensenrechten in België; een rechtsvergelijkend en internationaal onderzoek) en licentiaat in de criminologische wetenschappen (1994) aan de KU Leuven. Sedert 1995 tot vandaag is hij verbonden aan de Afdeling Strafrecht en Criminologie van de KU Leuven, eerst als wetenschappelijk medewerker (1995-1997), daarna als onderwijsassistent (1997-2004), en thans als vrijwillig medewerker. Van 1994 tot 2006 was hij advocaat bij de balie van Leuven en in 2004-2005 werkzaam bij het NICC. Thans is hij commissaris-auditor bij de Dienst Enquêtes van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten.

Boris Reynaerts

Boris Reynaerts behaalde in 2011 met grote onderscheiding zijn diploma van Master in de rechten aan de VUB in het Straf- en strafprocesrecht. Vanaf september 2012 is hij advocaat aan de balie van Antwerpen bij het advocatenkantoor Van Aelst - Gauquie - Smet.

Jo Schrijvers

Jo Schrijvers is advocaat bij Alfa Advocaten. Zijn praktijk is uitsluitend fiscaal gericht en bestaat overwegend uit het behandelen van fiscale geschillen. Hij is ingeschreven aan de balie te Antwerpen.

Pieterjan Smeyers

Pieterjan Smeyers is advocaat gespecialiseerd in het fiscaal recht. Hij behaalde zijn Master in de Rechten aan de KU Leuven (2010) en een Mastère Spécial en Gestion Fiscale aan de Solvay Brussels School of Economics & Management (2012, ULB). Sinds 2011 is hij werkzaam bij het advocatenkantoor Alfa Advocaten met een specifieke focus op fiscale procedures.

Katleen Van Baelen

Katleen Van Baelen is Master in de Handelswetenschappen (Lessius Hogeschool, 2005) en Master in de Rechten (UA, 2009). Sinds 2010 is zij fiscaal advocaat bij Alfa Advocaten te Mortsel, waar zij deel uitmaakt van de afdeling fiscale procedure.

Steven Vandromme

Steven Vandromme studeerde af aan de Universiteit Antwerpen in 2001 met grote onderscheiding. Van 2001 tot 2006 was hij voltijds onderzoeker strafrecht aan de Universiteit van Antwerpen. Sinds 2007 is hij substituut-procureur des Konings aan het parket van Antwerpen. Dit combineert hij met een deeltijdse aanstelling als praktijkassistent aan de Faculteit Rechten van de Universiteit Antwerpen. Hij is auteur van talrijke publicaties in het straf(proces)recht.

Jan Vanheule

Jan Vanheule is doctor in de rechten (met een proefschrift over de strafbare deelneming in 2009 aan de KU Leuven), advocaat bij Eubelius te Brussel en vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de KU Leuven, Instituut voor Strafrecht.

Arnout Vaninbroukx

Arnout Vaninbroukx is advocaat bij CMS DeBacker en legt zich toe op Belgische en internationale fiscaliteit. Hij levert advies aan ondernemingen en privé-personen, en staat hen tevens bij in fiscale geschillen.

Evi Vrijders

Evi Vrijders is advocaat bij Dubois, Verlinden, Wauman advocaten. Dit kantoor is gespecialiseerd in het fiscaal recht. Haar praktijk omvat het fiscaal recht in al zijn aspecten met daarbij een bijzondere voorkeur voor inkomstenbelastingen, registratie- en successierechten. Haar werkzaamheid bestaat hoofdzakelijk uit het voeren van administratieve en gerechtelijke procedures. Tevens schrijft zij bijdragen voor diverse fiscale tijdschriften.

Patrick Waeterinckx

Patrick Waeterinckx is Licentiaat in de Rechten, VUB, 1997. Hij is aangesloten als praktijkassistent bij de Vakgroepen Strafrecht en Strafprocesrecht van de VUB en de UA. Hij is tevens geregistreerd als forensisch auditor. In 2003 trad hij als advocaat toe tot de balie van Antwerpen. Patrick Waeterinckx is auteur van wetenschappelijke bijdragen in tal van tijdschriften en verzamelwerken en spreker op wetenschappelijke studiedagen. Hij is lid van de redactie van de tijdschriften Nullum Crimen en R.A.B.G.

Gebruiksaanwijzing

Geachte lezer,

Als vertrekpunt wordt het vigerend recht opgenomen.

Toekomstige versies van artikelen worden opgenomen onder het vigerend artikel in een kleiner lettertype, voorafgegaan door een duidelijke titel.

Een uitzondering hierop vormen nieuwe artikelen die ingevoegd worden voor de toekomst. Deze kunnen niet onder een bestaand artikel geplaatst worden, en worden bijgevolg enkel opgenomen in kleine druk.

De teksten zijn verrijkt met wetshistoriek.

Volgende iconen worden gebruikt:

– Annotaties in verband met de (niet-)conformiteit met de officiële wettekst

Art. 29.

- Beëindiging

1. Deze Overeenkomst blijft voor onbepaalde tijd van kracht. Elk van overeenkomstsluitende Staten kan ze echter door middel van een voorafgaande kennisgeving van ten minste zes maanden langs diplomatieke weg, vanaf het vijfde jaar dat volgt op het jaar waarin de Overeenkomst in werking is getreden, opzeggen voor het einde van een kalenderjaar.

1

2. In dat geval zullen de bepalingen van de Overeenkomst voor de laatste maal van toepassing zijn:

a) op de bij de bron verschuldigde belastingen op inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld ten laatste op 31 december van het kalenderjaar waarin de kennisgeving van de beëindiging is gedaan;

b) op de andere belastingen geheven naar inkomsten van belastbare tijdperken die eindigen voor 31 december van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de kennisgeving van de beëindiging is gedaan.

1. – Tekst conform B.S.; lees «Elk van de overeenkomstsluitende Staten» i.p.v. «Elk van overeenkomstsluitende Staten»

– Annotaties die de wetshistoriek weergeven: icoon

Art. 239.

1[De Koning bepaalt de begrotings-, de financiële en de boekhoudkundige voorschriften van de gemeenten, evenals deze betreffende de nadere regels voor de uitoefening van de taken van hun rekenplichtigen.]1

1. – Vervangen bij art. 4 wet 27 mei 1989, B.S., 30 mei 1989

– Annotaties in verband met de inwerkingtreding: icoon

Art. 16.

De juridische entiteiten bedoeld in artikel 14 1[waarover de Bank de exclusieve controle bezit,]1 zijn onderworpen aan de controle van het Rekenhof.

1. Inwerkingtreding: 1 juni 2003 (art. 1, lid 1, 4°, K.B. 3 april 2003, B.S., 29 april 2003)

– Annotaties die signaleren dat bepalingen niet in extenso worden opgenomen: icoon

Art. 23.

(...)

1

1. - Wijzigt Decr. Vl. R. 3 mei 1989 Adoptie, erkenning diensten

– Annotaties die verwijzen naar de teksten van de andere Gemeenschappen en Gewesten: icoon

Art. 239.

1[De Koning bepaalt de begrotings-, de financiële en de boekhoudkundige voorschriften van de gemeenten, evenals deze betreffende de nadere regels voor de uitoefening van de taken van hun rekenplichtigen.]1

2

1. – Vervangen bij art. 4 wet 27 mei 1989, B.S., 30 mei 1989

2. – Wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, luidt dit art. als volgt:

Art. 239.

3[De 4[Brusselse Hoofdstedelijke Regering]4 bepaalt de begrotings-, de financiële en de boekhoudkundige voorschriften van de gemeenten, evenals deze betreffende de nadere regels voor de uitoefening van de taken van hun rekenplichtigen.]3

3. – Vervangen bij art. 4 wet 27 mei 1989, B.S. 30 mei 1989

4. – Gewijzigd bij art. 43 Ord. Br. Hoofdst. R. 17 juli 2003, B.S. 7 oktober 2003, inwerkingtreding: 1 januari 2003 (art. 45)

DEEL I. ALGEMEEN
Wet 21 maart 1804 – B.W. (uittreksel art. 1154, 2244–2261)
R.B. 23 augustus 1948 – Procedurereglement R.v.St.
Wet 10 oktober 1967 – Ger.W. (uittreksel art. 1–3, 42, 151–151bis, 569, 632, 1385decies–1385undecies)
Grondwet 7 februari 1831 – Gecoördineerde Grondwet van België (uittreksel art. 10–11, 170–177)
Verdrag 4 november 1950 – EVRM (uittreksel art. 6)
Eerste Aanv. Prot. 20 maart 1952 – Eerste aanvullend protocol EVRM (uittreksel art. 1)
Verdrag 19 december 1966 – BUPO (uittreksel art. 14)
R.B. nr. 78, 18 maart 1831 – Administration des finances / Bestuur van 's lands middelen (uittreksel art. 9)
Wet 5 mei 1865 – Rente, wettelijke rentevoet (uittreksel art. 2)
K.B. 12 januari 1973 – Raad van State-wet (uittreksel art. 14, 17)
Wet 8 augustus 1980 – Budgettaire voorstellen 1979-80 (uittreksel art. 87)
Wet 4 augustus 1986 – Fiscale bepalingen (uittreksel art. 108–109)
Verdrag 25 januari 1988 – Wederzijdse administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden
Bijz. wet 6 januari 1989 – Bijzondere wet Grondwettelijk Hof (uittreksel art. 1–18, 26–30bis)
Bijz. wet 16 januari 1989 – Bijzondere wet financiering gemeenschappen en gewesten (uittreksel art. 3–11)
Wet 23 januari 1989 – Gemeenschap en Gewest, belastingbevoegdheid
K.B. 17 juli 1991 – Rijkscomptabiliteit, coördinatie (uittreksel art. 100–101)
Wet 29 juli 1991 – Wet motivering bestuurshandelingen
K.B. 5 december 1991 – Besluit rechtspleging kort geding Raad van State
Wet 28 december 1992 – Fiscale, financiële en diverse bepalingen, ambtenaren fiscale administraties, politiebevoegdheid (uittreksel art. 71)
Wet 30 maart 1994 – Globaal plan fiscaliteit (uittreksel art. 31)
Wet 11 april 1994 – Wet openbaarheid bestuur
Wet 30 oktober 1998 – Euro (uittreksel art. 1–10, 61–62)
Samenwerkingsakkoord 7 december 2001 – Fiscale bevoegdheden Federale Staat en Gewesten
Wet 2 augustus 2002 – Financiële sector, financiële diensten, toezicht (uittreksel art. 46)
Wet 24 december 2002 – Inkomstenbelastingen, vennootschapsregeling, voorafgaande beslissingen in fiscale zaken (uittreksel art. 20–28, 31–35)
K.B. 17 januari 2003 – Inkomstenbelastingen, vennootschapsregeling, voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, uitvoeringsbepaling
K.B. 30 januari 2003 – Inkomstenbelastingen, vennootschapsregeling, uitvoering art. 26 wet 24 december 2002
Wet 22 mei 2003 – Begroting en comptabiliteit van de federale Staat, organisatie (uittreksel art. 1–3, 30, 35–42, 127, 133)
B. Vl. Reg. 11 juni 2004 – Vlaamse Belastingdienst, oprichting
Programmawet 9 juli 2004 – Programmawet (uittreksel art. 49)
Programmawet 27 december 2004 – Programmawet (uittreksel art. 334)
Programmawet 27 december 2005 – Programmawet (uittreksel art. 121–127)
Wet 25 april 2007 – Diverse bepalingen (IV) (uittreksel art. 116)
Wet 21 maart 1804 Burgerlijk Wetboek (B.S. 3 september 1807)
(Uittreksel)
Boek III - Op welke wijze eigendom verkregen wordt
Titel III - Contracten of verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen
Hoofdstuk III - Gevolgen van de verbintenissen
Afdeling IV - Schadevergoeding wegens niet-nakoming van de verbintenis
Art. 1154.
Vervallen interesten van kapitalen kunnen interest opbrengen, ofwel ten gevolge van een gerechtelijke 1[aanmaning]1 ofwel ten gevolge van een bijzondere overeenkomst, mits de 1[aanmaning]1 of de overeenkomst betrekking heeft op interesten die ten minste voor een geheel jaar verschuldigd zijn.
1. – Gewijzigd bij art. 7 wet 1 mei 1913, B.S., 2-3 mei 1913
Jo Schrijvers
Kapitalisatie van interesten wordt door artikel 1154 BW, een bepaling van openbare orde, aan voorwaarden ter bescherming van de schuldenaar onderworpen. In fiscale zaken is de toepassing van deze bepaling omstreden. Intussen is gebleken dat de toepassing van interestkapitalisatie in fiscalibus slechts uitzonderlijk kan worden toegepast.
De mogelijkheid interesten te kapitaliseren (of anatocisme) in fiscale zaken werd als volgt beslecht:
Inzake interesten is er wat betreft de inkomstenbelastingen (art. 418 WIB 1992) door onder meer het hof van beroep te Antwerpen geoordeeld dat artikel 1154 BW kan worden toegepast bij terugbetaling van inkomstenbelastingen (Antwerpen 27 oktober 2009, FJF 2010, afl. 3, 316). Andere rechtspraak stelt dat artikel 418 WIB 1992 als fiscale bepaling strikt behoort te worden toegepast zodat artikel 1154 BW buiten toepassing blijft. Het Hof van Cassatie heeft in haar arrest van 18 juni 2010 (Cass. 18 juni 2010, TFR 2010, afl. 391, 963) de discussie beëindigd en stelt dat kapitalisatie van interesten niet mogelijk is gezien artikel 418 WIB een van de burgerrechtelijke regeling afwijkende bepaling is. Ook inzake artikel 91, § 3 WBTW (teruggave van BTW) heeft het Hof van Cassatie de discussie met een gelijkaardige motivering beslecht (Cass. 14 februari 2008, TFR 2008, nr. 348, 887 e.v.). Deze conclusie kan worden uitgebreid naar de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (zie art. 2 WIGB en de verwijzing naar de relevante bepalingen van het WIB 1992) en naar de lokale belastingen
Toch is interestkapitalisatie niet steeds uitgesloten. Wat betreft moratoire interesten ingevolge toepassing van artikel 91, § 4 WBTW is er immers weinig ruimte voor twijfel gezien het artikel verwijst naar de rentevoet in burgerlijke zaken en de ter zake geldende regelen. In deze gevallen kan artikel 1154 BW bijgevolg worden toegepast. Ook inzake successierechten (art. 142² W.Succ.) en registratierechten (art. 223 W.Reg.) gelden de burgerrechtelijke bepalingen.
Noteer verder dat het niet toestaan van interestkapitalisatie vanzelfsprekend niet uitsluit dat toch interesten worden berekend op de toegekende moratoriuminteresten. Wanneer de fiscale administratie immers foutief al te lang wacht met het betalen van de moratoriuminteresten (per hypothese zijn de onverschuldigde belastingen al terugbetaald), dan zal dit een fout zijn, die aanleiding geeft tot schadevergoeding onder de vorm van interesten berekend over de nog verschuldigde moratoriuminteresten. Deze hypothese heeft niet zo zeer te maken met anatocisme, doch louter met de toepassing van foutaansprakelijkheid. Voor een toepassing zie: Rb. Antwerpen FJF 2011, afl. 7, 780.
Titel XX - Verjaring
Hoofdstuk IV - Oorzaken die de verjaring stuiten of schorsen
Afdeling I - Oorzaken die de verjaring stuiten
Art. 2244.
Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting.
1[Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.]1
2[Voor de toepassing van deze afdeling heeft een beroep tot vernietiging van een administratieve handeling bij de Raad van State dezelfde gevolgen ten opzichte van de vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door de vernietigde administratieve handeling als een dagvaarding voor het gerecht.]2
1. – Lid 2 toegevoegd bij art. 2 wet 25 juli 2008, B.S. 22 augustus 2008, inwerkingtreding: 1 september 2008, van toepassing op beroepen tot vernietiging die bij de Raad van State zijn ingediend vóór de inwerkingtreding ervan (art. 4, lid 1); Zij is evenwel niet van toepassing wanneer de vordering tot schadevergoeding vóór de inwerkingtreding van deze wet verjaard is verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing waartegen geen cassatieberoep is ingediend (art. 4, lid 2)
2. – Lid 3 toegevoegd bij art. 2 wet 25 juli 2008, B.S. 22 augustus 2008, inwerkingtreding: 1 september 2008, van toepassing op beroepen tot vernietiging die bij de Raad van State zijn ingediend vóór de inwerkingtreding ervan (art. 4, lid 1); Zij is evenwel niet van toepassing wanneer de vordering tot schadevergoeding vóór de inwerkingtreding van deze wet verjaard is verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing waartegen geen cassatieberoep is ingediend (art. 4, lid 2)
Jo Schrijvers
Specifiek inzake invordering van inkomstenbelastingen geldt een interpretatieve bepaling, nl. artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004 - cf. p. ##.
In fiscale zaken geldt:
Niettegenstaande het dwangbevel de eerste akte van de rechtstreekse vervolging is in de zin van de artikelen 148 en 149 KB/WIB 1992, moet het dwangbevel ook geïnterpreteerd worden als een verjaringsstuitende akte in de zin van artikel 2244 BW, zelfs indien de betwiste belastingschuld geen zeker en vaststaand karakter heeft.
De interpretatieve bepaling grijpt in op de problematiek inzake verjaring van betwiste inkomstenbelastingen ingevolge cassatierechtspraak (Cass. 10 november 2002, TFR 2003, 694; Cass. 21 februari 2003, TFR 2003, 860). Deze cassatierechtspraak ontkende de stuitende werking van een betekend dwangbevel in zoverre het betrekking had op het gedeelte van de belasting dat ingevolge een betwisting geen zeker en vaststaand karakter had in de zin van artikel 410 WIB 1992.
Zonder deze interpretatieve bepaling zou de verjaring worden vastgesteld in tal van procedures gezien fiscale betwistingen, zeker gezien de opeenvolging van administratieve en gerechtelijke geschillenprocedure, vaak een termijn van vijf jaar overschrijden, terwijl de invordering van inkomstenbelastingen door verloop van vijf jaar verjaard (art. 443bis WIB 1992). Door de interpretatieve bepaling werd dit probleem, uiteindelijk met retroactieve werking, rechtgezet.
De interpretatieve bepaling boet aan relevantie in sinds de invoering van artikel 443ter WIB 1992, dat een specifieke schorsingsregeling bevat. De verjaring van betwiste belastingen wordt geschorst tijdens de duur van de fiscale betwisting. Door deze schorsing zal de verjaring van de invordering van betwiste belastingen pas effectief verder lopen zodra een uitspraak de fiscale betwisting beslecht. Overigens blijkt er een tendens in de rechtspraak, die op grond van artikel 2251 BW ook voor het verleden van oordeel is dat de verjaring van de invordering niet loopt tegen hen voor wie de wet een uitzondering maakt. Op grond van deze bepaling zou, bij fiscale betwisting, de verjaring niet lopen gezien artikel 410 WIB 1992 een wettelijk beletsel instelt dat de fiscale administratie verhindert betaling van de betwiste belastingschuld te bekomen.
Art. 2245.
1[...]1
1. – Opgeheven bij art. 29 wet 15 december 1949, B.S., 1-3 januari 1950
Art. 2246.
Ook de dagvaarding voor een onbevoegde rechter stuit de verjaring.
Art. 2247.
1[...]1
Indien de eiser afstand doet van zijn eis,
2[...]2
Of indien zijn eis wordt afgewezen,
Wordt de stuiting voor niet bestaande gehouden.
1. – Lid 1 opgeheven bij art. 2 wet 16 juli 2012, B.S. 3 augustus 2012
2. – Lid 3 opgeheven bij art. 28, 29° wet 15 december 1949, B.S., 1-3 januari 1950
Art. 2248.
De erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, stuit de verjaring.
Art. 2249.
De ingebrekestelling van een der hoofdelijke schuldenaars, overeenkomstig de bovenstaande artikelen, of de erkenning van de schuld door hem gedaan, stuit de verjaring tegen alle overige, zelfs tegen hun erfgenamen.
De ingebrekestelling van een der erfgenamen van een hoofdelijke schuldenaar, of de erkenning van de schuld door die erfgenaam stuit de verjaring niet ten aanzien van de overige mede-erfgenamen, zelfs niet in het geval van een hypothecaire schuld, tenzij de verbintenis ondeelbaar is.
Die ingebrekestelling of die erkenning stuit de verjaring ten aanzien van de overige medeschuldenaars slechts voor het aandeel waarvoor die erfgenaam verbonden is.
Om de verjaring ten aanzien van de overige medeschuldenaars te stuiten voor het geheel, is vereist de ingebrekestelling van alle erfgenamen van de overleden schuldenaar, of de erkenning door al die erfgenamen.
Art. 2250.
De ingebrekestelling van de hoofdschuldenaar, of de erkenning van de schuld door hem gedaan, stuit de verjaring tegen de borg.
Afdeling II - Oorzaken die de loop van de verjaring schorsen.
Art. 2251.
De verjaring loopt tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet een uitzondering maakt.
Jo Schrijvers
De invordering van inkomstenbelastingen verjaart door verloop van vijf jaar (art. 443bis WIB 1992).
Artikel 443ter WIB 1992, ingevoerd door artikel 297 van de Programmawet van 22 december 2003 (BS 31 december 2003 - inwerkingtreding 10 januari 2004) bevat een specifieke schorsingsregeling betreffende de verjaring van de invordering van betwiste belastingen.
De verjaring van betwiste belastingen wordt geschorst tijdens de duur van de fiscale betwisting. Door deze schorsing zal de verjaring van de invordering van betwiste belastingen pas effectief verder lopen zodra een uitspraak de fiscale betwisting beslecht. Deze schorsingsregeling was noodzakelijk gezien cassatierechtspraak (Cass. 10 november 2002, TFR 2003, 694; Cass. 21 februari 2003, TFR 2003, 860) de stuitende werking van een betekend dwangbevel ontkende in zoverre het betrekking had op het gedeelte van de belasting dat ingevolge een betwisting geen zeker en vaststaand karakter had in de zin van artikel 410 WIB 1992. In de fiscale praktijk voor deze cassatierechtspraak rekende de fiscale administratie erop dat de verjaring kon worden gestuit aan de hand van het betekenen van een dwangbevel. Gezien deze praktijk door het Hof van Cassatie werd gesanctioneerd was er nood aan een specifieke oplossing/schorsingsregeling. De schorsingsregeling op grond van een specifieke wetsbepaling geldt evenwel enkel voor de toekomst.
Voor het verleden werd een interpretatieve bepaling ingevoerd, die het toepassingsgebied van artikel 2244 BW uitbreidt (cf. art. 2244 BW) Een tendens in de rechtspraak lijkt nu echter de toepassing van artikel 2251 BW in fiscale zaken te aanvaarden: de verjaring loopt niet tegen hen voor wie de wet een uitzondering maakt. Op grond van deze bepaling zou, bij fiscale betwisting, de verjaring niet lopen gezien artikel 410 WIB 1992 een wettelijk beletsel instelt dat de fiscale administratie verhindert betaling van de betwiste belastingschuld te bekomen. De fiscale strekking van artikel 2251 BW is echter bekritiseerbaar gezien het fiscaal invorderingsrecht kennelijk eigen regels kent en aldus van het burgerlijk recht afwijkt. De strekking van artikel 2251 BW lijkt ook moeilijk verzoenbaar met de vaststelling dat de fiscale administratie de schorsingstermijn ingevolge artikel 2251 BW minstens tijdens de administratieve geschillenfase controleert. Precies door in de administratieve fase de betwisting te beslechten wordt, althans tot het neerleggen van het verzoekschrift en de start van de gerechtelijke procedure, de belasting opnieuw invorderbaar. Meer over de toepasselijkheid van artikel 2251 BW in fiscale zaken vindt u in J. Van Besien, "Artikel 443ter § 1, 2de lid WIB 1992 versus beginsel van artikel 2251 BW. Conclusie achteraf: was het allemaal niet nodig geweest?", TFR 2011, 406, 645.
Art. 2252.
De verjaring loopt niet tegen minderjarigen en onbekwaamverklaarden, behoudens hetgeen in artikel 2278 bepaald is, en met uitzondering van de andere bij de wet bepaalde gevallen.
Art. 2253.
De verjaring loopt niet tussen echtgenoten.
Art. 2254.
1[De verjaring loopt tegen de echtgenoot aan wie het bestuur van zijn goederen is ontnomen, behoudens zijn verhaal op de andere echtgenoot of de op de lasthebber, in geval van nalatigheid.]1
1. – Vervangen bij art. IV, 17, wet 14 juli 1976, B.S., 18 september 1976
Art. 2255.
1[...]1
1. – Opgeheven bij art. IV, 18, wet 14 juli 1976, B.S., 18 september 1976
Art. 2256.
1[...]1
1. – Opgeheven bij art. IV, 18, wet 14 juli 1976, B.S., 18 september 1976
Art. 2257.
De verjaring loopt niet:
Ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is;
Ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad;
Ten aanzien van een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zolang die dag niet verschenen is.
Art. 2258.
De verjaring loopt niet tegen de erfgenaam onder voorrecht van boedelbeschrijving, ten aanzien van zijn schuldvorderingen ten laste van de nalatenschap.
Zij loopt tegen een onbeheerde nalatenschap, hoewel er geen curator is aangesteld.
Art. 2259.
Zij loopt eveneens gedurende de drie maanden die voor het opmaken van de boedelbeschrijving en de veertig dagen die voor het beraad zijn verleend.
Hoofdstuk V - Tijd die voor de verjaring vereist is
Afdeling I - Algemene bepalingen
Art. 2260.
De verjaring wordt gerekend bij dagen, niet bij uren.
Art. 2261.
Zij is verkregen, wanneer de laatste dag van de vereiste tijd verlopen is.
R.B. 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de 1[afdeling bestuursrechtspraak]1 van de Raad van State (B.S. 23-24 augustus 1948, err., B.S. 8 oktober 1948, err., B.S. 21 november 1948)
1. Opschrift gewijzigd bij art. 1 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
PROCEDURE-REGELING
Titel I - VERZOEKSCHRIFT EN ONDERZOEK
Hoofdstuk I - HET VERZOEKSCHRIFT
Sectie I - Het indienen van het verzoekschrift
Art. 1.
1[De zaak wordt bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift ondertekend door de partij of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, hierna «gecoördineerde wetten» genoemd.]1
1. – Na wijziging, vervangen bij art. 2 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 2.
1[§ 1. Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat:
1° het opschrift «verzoekschrift tot nietigverklaring» in de gevallen bedoeld in artikel 14, §§ 1 en 3, van de gecoördineerde wetten, als het niet eveneens een vordering tot schorsing bevat;
2° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de verzoekende partij en overeenkomstig artikel 84, § 2, eerste lid, de gekozen woonplaats;
3° het voorwerp van de eis, aanvraag of beroep en een uiteenzetting van de feiten en de middelen;
4° de naam en het adres van de verwerende partij.
§ 2. Het verzoekschrift bevat bovendien:
A. in het geval bedoeld in artikel 54 van de gecoördineerde wetten, één van de volgende vermeldingen, in de opgegeven volgorde:
1° het eentalig gebied waarin de ambtenaar zijn ambt uitoefent;
2° de taalrol waartoe hij behoort;
3° de taal waarin hij zijn toelatingsexamen heeft afgelegd;
4° de taal van het diploma of getuigschrift dat hij voor zijn benoeming heeft moeten overleggen;
B. in het geval bedoeld in artikel 55 van de gecoördineerde wetten, de vermelding van het taalstatuut van de verzoekende magistraat;
C. in het geval bedoeld in artikel 56 van de gecoördineerde wetten, de vermelding van de taal waarvan de verzoekende officier een grondige kennis bezit;
D. in het geval bedoeld in artikel 57 van de gecoördineerde wetten, de taal van het diploma of getuigschrift dat de verzoeker heeft overgelegd met het oog op zijn aanvaarding als aspirant-hulpofficier of aspirant-hulponderofficier van de luchtmacht;
E. in het geval bedoeld in artikel 58 van de gecoördineerde wetten, de taal waarin de verzoeker de opleidingscyclus heeft gevolgd die voorafging aan zijn benoeming tot de graad van reserve-onderluitenant bij de strijdkrachten;
F. in het geval bedoeld in artikel 59 van de gecoördineerde wetten, de taal waarvan de verzoekende onderofficier de werkelijke kennis bezit.]1
1. – Laatst vervangen bij art. 3 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 3.
1[De verzoekende partij voegt bij het verzoekschrift:
1° in het geval bedoeld in artikel 11 van de gecoördineerde wetten, de beslissing waarbij de bevoegde overheid eventueel de eis heeft verworpen;
2° in het geval bedoeld in artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten, een afschrift van de aanmaning;
3° in de overige gevallen, een afschrift van de bestreden akten, reglementaire bepalingen of beslissingen;
4° indien zij een rechtspersoon is, een afschrift van haar geldende statuten en van de akte van aanstelling van haar organen, alsmede het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden.]1
1. – Vervangen bij art. 4 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
1[Art. 3bis.
Het verzoekschrift wordt niet op de rol ingeschreven indien:
1° uitgaande van een rechtspersoon, het niet vergezeld gaat van de stukken opgesomd in artikel 3, 4°;
2° het niet is ondertekend of niet vergezeld gaat van het vereiste aantal eensluidend verklaarde afschriften;
3° het geen woonplaatskeuze bevat, wanneer deze vereist is;
4° 2[...]2
5° het niet vergezeld gaat van een afschrift van de bestreden akten, reglementaire bepalingen of beslissingen, tenzij de verzoekende partij verklaart dat ze niet in het bezit is van een zodanig afschrift;
6° er geen inventaris is bijgevoegd van de stukken, die alle overeenkomstig die inventaris genummerd moeten zijn.
In geval van toepassing van het eerste lid, richt de hoofdgriffier aan de verzoekende partij een brief waarin meegedeeld wordt waarom het verzoekschrift niet is ingeschreven op de rol en waarbij die partij verzocht wordt binnen vijftien dagen haar verzoekschrift te regulariseren.
De verzoekende partij die haar verzoekschrift regulariseert binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek bedoeld in het tweede lid, wordt geacht het te hebben ingediend op de datum van de eerste verzending ervan.
Een verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt geacht niet te zijn ingediend.]1
1. – Ingevoegd bij art. 6 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
2. – Lid 1, 4°, opgeheven bij art. 1 K.B. 19 juli 2007, B.S. 1 augustus 2007
1[Art. 2[3ter]2.
Op hetzelfde ogenblik als zij haar verzoekschrift indient, stuurt de verzoekende partij een kopie daarvan ter informatie aan de 3[verwerende partij]3. De overheid die deze kopie ontvangt, bezorgt ze desgevallend aan de bevoegde overheid.
Het toesturen van een kopie van het verzoekschrift als bedoeld in het eerste lid, houdt geen definitieve aanwijzing van de 4[verwerende partij]4 in. Het stelt niet de termijnen in werking die de 4[verwerende partij]4 moet in acht nemen.]1
1. – Ingevoegd bij art. 1 K.B. 7 januari 1991, B.S., 16 januari 1991
2. – Art. 3ter, (oud art. 3bis), hernummerd bij art. 5 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
3. – Lid 1 gewijzigd bij art. 57, § 3, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
4. – Lid 2 gewijzigd bij art. 57, § 3, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
1[Art. 3quater.
Wanneer bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring van een reglementaire akte aanhangig wordt gemaakt, laat de hoofdgriffier in het Belgisch Staatsblad in het Nederlands, het Frans en het Duits een bericht bekendmaken dat de identiteit van de verzoekende partij aangeeft, alsmede de akte waarvan de nietigverklaring gevorderd wordt.]1
1. – Ingevoegd bij art. 7 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Sectie II - Termijnen voor het indienen van het verzoekschrift
Art. 4.
1[§ 1.]12[ De eisen bedoeld in artikel 11 van de gecoördineerde wetten verjaren zestig dagen na de schriftelijke kennisgeving van de beslissing houdende afwijzing van het verzoekschrift tot vergoeding. Indien de administratieve overheid verzuimt een beslissing te nemen, bedraagt de termijn van verjaring drie jaar te rekenen van de datum van dat verzoekschrift.]2
Wanneer een rechtsvordering strekkende tot hetzelfde voorwerp is ingesteld binnen de termijnen voorzien bij de eerste alinea, gaan de termijnen van zestig dagen en van drie jaar slechts in met het einde van de rechtsgedingen.
De beroepen bedoeld 3[in artikel 14, §§ 1 en 3, van de gecoördineerde wetten]3 verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad.
De overige aanvragen en beroepen moeten, op straffe van onontvankelijkheid ingediend worden binnen de termijnen door de desbetreffende wettelijke reglementaire bepalingen vastgesteld.
4[§ 2. Wanneer de in paragraaf 1 genoemde kennisgeving geschiedt bij aangetekende brief met ontvangstmelding, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift die welke volgt op de ontvangst van de brief en is hij inbegrepen in de termijn.
Indien de geadresseerde de brief weigert, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift die welke volgt op de dag van weigering van de brief en is hij inbegrepen in de termijn.
Wanneer de in paragraaf 1 genoemde kennisgeving geschiedt bij gewone aangetekende brief, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift de derde werkdag die volgt op de verzending van de brief, behoudens bewijs van het tegendeel door de geadresseerde, en is die dag inbegrepen in de termijn.
Het postmerk geldt als bewijs, zowel voor de verzending als voor de ontvangst of de weigering.]4
1. – § 1 genummerd bij art. 1 K.B. 24 mei 2011, B.S. 15 juni 2011, van toepassing op de kennisgevingen van akten en beslissingen geschied vanaf de inwerkingtreding van het besluit (art. 2)
2. – § 1, lid 1, vervangen bij art. 8, 1°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
3. – § 1, lid 3, gewijzigd bij art. 8, 2°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
4. – § 2 toegevoegd bij art. 1 K.B. 24 mei 2011, B.S. 15 juni 2011, van toepassing op de kennisgevingen van akten en beslissingen geschied vanaf de inwerkingtreding van het besluit (art. 2)
Hoofdstuk II - HET ONDERZOEK
Sectie I - De voorafgaande maatregelen
Art. 5.
1[De korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt]1 wijst de zaak aan de bevoegde kamer toe.
Hij maakt kopie van het verzoekschrift over aan de auditeur-generaal die waakt over de uitvoering van de maatregelen die het onderzoek voorafgaan. De auditeur-generaal stelt te dien einde een lid van het auditoraat aan.
1. – Lid 1 gewijzigd bij art. 57, § 5, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 6.
1[§ 1. Zodra het mogelijk is, stuurt de hoofdgriffier een kopie van het verzoekschrift aan de verwerende partij.
§ 2. Indien het administratief dossier in het bezit is van de verwerende partij, beschikt deze over een termijn van zestig dagen om aan de griffie een memorie van antwoord en het volledige administratief dossier toe te zenden.
§ 3. Indien het administratief dossier niet in het bezit is van de verwerende partij, geeft deze de griffie daarvan onverwijld en schriftelijk kennis en geeft ze aan waar het zich bij haar weten bevindt. De hoofdgriffier vordert op verzoek van de auditeur-verslaggever de mededeling ervan aan de overheid die het onder zich heeft. Zonder verwijl zendt deze het gevorderde dossier naar de griffie.
In dit geval gaat de termijn van zestig dagen voor het toezenden van de memorie van antwoord in met de dag waarop de verwerende partij ervan in kennis is gesteld dat het dossier ter griffie is neergelegd.
§ 4. Indien het verzoekschrift een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing bevat, gaat de termijn van zestig dagen voor het toezenden van de memorie van antwoord en, in voorkomend geval, het administratief dossier of een aanvulling ervan, pas in met de kennisgeving van het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over de vordering tot schorsing.
Ingeval het arrest het verzoek tot schorsing afwijst gaat de in het voorgaande lid bedoelde termijn van zestig dagen pas in met de kennisgeving door de griffie van het door de verzoekende partij ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging.]1
1. – Na wijzigingen, vervangen bij art. 9 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 7.
Een afschrift van de memorie van antwoord wordt aan de verzoekende partij overgemaakt door de griffier, die haar tevens van de neerlegging van het dossier ter griffie in kennis stelt. De verzoekende partij beschikt over 1[zestig dagen]1 om aan de griffie een memorie van wederantwoord te laten geworden.
Een afschrift ervan wordt door de griffier aan de 2[verwerende partij]2 overgemaakt.
1. – Lid 1 gewijzigd bij art. 3 K.B. 7 januari 1991, B.S., 16 januari 1991
2. – Lid 2 gewijzigd bij art. 57, § 3, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 8.
Zo de 1[verwerende partij]1 verzuimt, binnen de bepaalde termijn een memorie van antwoord te laten geworden, wordt de verzoekende partij hiervan door de griffier in kennis gesteld en mag zij de memorie van wederantwoord door een toelichtende memorie vervangen.
1. – Gewijzigd bij art. 57, § 3, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 9.
1[...]1
1. – Opgeheven bij art. 4 K.B. 7 januari 1991, B.S., 16 januari 1991
Art. 10.
1[...]1
1. – Opgeheven bij art. 13, 1°, K.B. 15 juli 1956, B.S., 10 augustus 1956
Art. 11.
De kamer bij dewelke de zaak aanhangig is kan 1[...]1 uitspraak doen bij verstek ten opzichte van de partijen die zich van alle verweer hebben onthouden.
Zo de zaak vervolgt wordt tegen meerdere partijen waarvan de ene haar verweermiddelen hebben voorgebracht en waarvan de andere verzuimden zulks te doen, doet de kamer uitspraak bij dezelfde beslissing ten opzichte van al de partijen.
1. – Lid 1 gewijzigd bij art. 10 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Sectie II - 1[Het onderzoek door de afdeling bestuursrechtspraak]1
1. Opschrift vervangen bij art. 11 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 12.
1[Nadat de voorafgaande maatregelen zijn uitgevoerd, maakt het met toepassing van artikel 5 aangewezen lid van het auditoraat verslag op over de zaak.
Met het oog op het opmaken van dat verslag voert de auditeur rechtstreeks briefwisseling met alle overheden en besturen en kan hij zowel aan hen als aan de partijen alle dienstige inlichtingen en documenten vragen.
Hij kan de partijen een termijn opleggen voor het verstrekken van de gevraagde inlichtingen en documenten. Indien deze niet binnen de gestelde termijn zijn meegedeeld, stelt hij, hiermee rekening houdende, zijn verslag op.
2[Hij vermeldt in de conclusies van zijn verslag de volgorde waarin dit ter kennis wordt gebracht van de partijen.]2
Het gedagtekende en ondertekende verslag wordt aan de griffie toegezonden.]1
1. – Laatst vervangen bij art. 12 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
2. – Lid 4 ingevoegd bij art. 1 K.B. 10 december 2012, B.S. 4 februari 2013
Art. 13.
1[Is de kamer van oordeel dat nieuwe verrichtingen moeten worden bevolen, dan wijst zij ter uitvoering daarvan een 2[staatsraad]2 of een lid van het auditoraat aan, die een aanvullend verslag opmaakt. Dit verslag wordt gedagtekend, ondertekend en 3[aan de griffie]3 bezorgd.]1
1. – Vervangen bij art. 2 K.B. 15 juli 1956, B.S., 10 augustus 1956
2. – Gewijzigd bij art. 57, § 1, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
3. – Gewijzigd bij art. 13 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 14.
1[2[De griffie brengt de verslagen bedoeld in de artikelen 12 en 13 overeenkomstig de door de auditeur in zijn verslag vermelde volgorde ter kennis van de partijen en deelt een exemplaar ervan mee aan de kamer belast met de zaak.]2
3[Elk van de partijen beschikt over dertig dagen om een laatste memorie in te dienen met, in voorkomend geval, het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging.]3
4[...]4
Bij het verstrijken van deze termijnen stelt de voorzitter vast op welke datum de zaak zal worden opgeroepen.]1
1. – Vervangen bij art. 3 K.B. 15 juli 1956, B.S., 10 augustus 1956
2. – Lid 1 laatst vervangen bij art. 2 K.B. 10 december 2012, B.S. 4 februari 2013
3. – Lid 2, na wijziging, vervangen bij art. 14 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
4. – Lid 3 opgeheven bij art. 5, 2°, K.B. 7 januari 1991, B.S., 16 januari 1991
1[Art. 14bis.
1[§ 1. Voor de toepassing van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, stelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, de partijen ervan in kennis dat de kamer uitspraak zal doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord.
Indien geen van de partijen vraagt om te worden gehoord, doet de kamer uitspraak onder aanvoering dat het vereiste belang ontbreekt.
Indien een partij vraagt om te worden gehoord, roept de voorzitter of de aangewezen staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen. Na de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat te hebben gehoord, doet de kamer onverwijld uitspraak over het ontbreken van het vereiste belang.
§ 2. Bij de kennisgeving van de memorie van antwoord aan de verzoekende partij of wanneer hij haar ervan in kennis stelt dat zo'n memorie niet binnen de voorgeschreven termijn is ingediend, maakt de hoofdgriffier melding van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, alsmede van de eerste paragraaf van dit artikel.]1]1
1. – Ingevoegd bij art. 7 K.B. 7 januari 1991, B.S., 16 januari 1991; vervangen bij art. 1 K.B. 26 juni 2000, B.S., 15 juli 2000, inwerkingtreding: 1 augustus 2000 (art. 3)
1[Art. 14ter.
Bij het versturen van een kopie van het verzoekschrift aan de 2[verwerende partij]2 maakt de hoofdgriffier melding van artikel 21, derde tot vijfde lid, van de gecoördineerde wetten.]1
1. – Ingevoegd bij art. 7 K.B. 7 januari 1991, B.S., 16 januari 1991
2. – Gewijzigd bij art. 57, § 3, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
1[Art. 14quater.
1[2[...]2 Het verzoek tot voortzetting van de procedure, bedoeld in artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten, wordt bij ter post aangetekende brief ingediend.
Wanneer binnen de termijn bepaald in artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten, geen verzoek wordt ingediend, stelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, de verzoekende partij ervan in kennis dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord.
Indien de verzoekende partij niet vraagt om te worden gehoord, spreekt de kamer de afstand van geding uit.
Indien de verzoekende partij vraagt om te worden gehoord, roept de voorzitter of de aangewezen staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen. Na de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat te hebben gehoord, doet de kamer onverwijld uitspraak over de afstand van geding.
3[...]3]1]1
1. – Ingevoegd bij art. 7 K.B. 7 januari 1991, B.S., 16 januari 1991; vervangen bij art. 2 K.B. 26 juni 2000, B.S., 15 juli 2000, inwerkingtreding: 1 augustus 2000 (art. 3)
2. – § 1, nummering, opgeheven bij art. 15, 1°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
3. – § 2 opgeheven bij art. 15, 2°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
1[Art. 14quinquies.
Het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging bedoeld in artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten wordt ingediend bij een ter post aangetekende brief.
Indien geen enkel verzoek is ingediend binnen de termijn gesteld in artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten, deelt de hoofdgriffier op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat aan de verwerende partij en aan de tussenkomende partij mee dat de kamer uitspraak zal doen over de nietigverklaring van de bestreden akte, tenzij één van hen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord.
Indien geen enkele partij vraagt om te worden gehoord, kan de kamer de bestreden akte nietig verklaren.
Indien een partij vraagt om te worden gehoord, roept de voorzitter of de aangewezen staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen. De kamer doet onverwijld uitspraak over het beroep tot nietigverklaring, de partijen en het aangewezen lid van het auditoraat in zijn advies gehoord.]1
1. – Ingevoegd bij art. 16 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
1[Art. 14sexies.
Bij de kennisgeving van het verslag aan de partijen maakt de hoofdgriffier melding van:
– artikel 14;
– artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten, alsmede van artikel 14quater ;
– artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten, alsmede van artikel 14quinquies.]1
1. – Ingevoegd bij art. 17 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 15.
1[Het arrest moet worden uitgesproken binnen twaalf maanden na de dag waarop, met toepassing van artikel 12 of eventueel van artikel 13, verslag over de zaak werd uitgebracht.]1
1. – Vervangen bij art. 6 K.B. 7 januari 1991, B.S., 16 januari 1991
Sectie III - De maatregelen van onderzoek
Art. 16.
1[De Staatsraad, de auditeur-generaal of het aangewezen lid van het auditoraat kan]1 rechtstreeks briefwisseling voeren met alle overheden en haar alle dienstige inlichtingen vragen.
Zij zijn ertoe gerechtigd zich alle bescheiden te laten overleggen door de administratieve overheden.
Zij kunnen 2[van de partijen en van hun advocaten]2 alle aanvullende ophelderingen vorderen.
1. – Lid 1 gewijzigd bij art. 18, 1°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
2. – Lid 3 gewijzigd bij art. 18, 2°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 17.
1[De Staatsraad, de auditeur-generaal of het aangewezen lid van het auditoraat kunnen de partijen en alle andere personen horen.
De partijen en hun advocaten worden opgeroepen.
Het proces-verbaal van verhoor wordt ondertekend door de Staatsraad, de auditeur-generaal of het aangewezen lid van het auditoraat, alsmede door de griffier en de gehoorde persoon.]1
1. – Vervangen bij art. 19 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 18.
1[...]1
1. – Opgeheven bij art. 20 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 19.
1[De Staatsraad, de auditeur-generaal of het aangewezen lid van het auditoraat kan]1 ter plaatse overgaan tot alle vaststellingen.
De partijen en hun advocaten worden opgeroepen 2[...]2.
1. – Lid 1 gewijzigd bij art. 21, 1°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
2. – Lid 2 gewijzigd bij art. 21, 2°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 20.
1[De Staatsraad, de auditeur-generaal of het aangewezen lid van het auditoraat kan]1 deskundigen aanstellen en hun opdracht bepalen.
De griffier betekent de beslissing aan de deskundigen en aan de partijen.
Binnen acht dagen na deze betekening, stellen de deskundigen per ter post aangetekend schrijven, elke partij 2[...]2 in kennis van de plaats, de dag en het uur waar en waarop zij hun verrichtingen zullen aanvangen.
1. – Lid 1 gewijzigd bij art. 22, 1°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
2. – Lid 3 gewijzigd bij art. 22, 2°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 21.
De nodige stukken worden de deskundigen ter hand gesteld; de partijen kunnen zodanige voordrachten en vorderingen doen als zij het goedvinden; melding er van wordt gemaakt in het verslag, waarvan de inleidende gegevenen ter kennis worden gebracht van de partijen.
Art. 22.
Behoudens belet, dat door de griffier op het ogenblik van het verslag wordt vastgesteld, wordt het verslag getekend door al de deskundigen.
1[«De handtekening van de deskundigen wordt voorafgegaan door de eed:
«Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb.»; of
«Je jure avoir rempli ma mission en honneur et conscience avec exactitude et probité.»; of
«Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich erfüllt habe.»]1
De minuut van het verslag wordt ter griffier neergelegd. De partijen worden hiervan door de griffier in kennis gesteld.
1. – Lid 2 vervangen bij art. 23 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 23.
De kamer kan, in de loop van de debatten en op de terechtzitting de deskundigen ter informatie horen. De deskundigen worden door de griffier opgeroepen.
Art. 24.
De kamer kan, om gewichtige redenen en bij gemotiveerde beslissing, een einde maken aan de zending van de deskundigen en in hun vervanging voorzien na hen te hebben gehoord.
De griffier betekent de beslissing aan de deskundigen en aan de partijen.
Art. 25.
In geval van verhoor der getuigen ter terechtzitting, worden de partijen en hun advocaten 1[...]1 opgeroepen.
2[...]2
Het proces-verbaal van verhoor wordt getekend door de voorzitter van de kamer, de griffier en de gehoorde persoon.
1. – Lid 1 gewijzigd bij art. 24, 1°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
2. – Lid 2 opgeheven bij art. 24, 2°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Titel II - DE TERECHTZITTING EN DE VERWIJZING NAAR DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING
Hoofdstuk I - DE TERECHTZITTING
Art. 26.
1[Binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de laatste memories kunnen de partijen, wanneer geen enkele laatste memorie werd ingediend, in een gezamenlijke verklaring, beslissen dat de zaak niet op een terechtzitting dient te worden behandeld, indien in het beroep tot nietigverklaring het verslag zonder voorbehoud tot verwerping of tot nietigverklaring besluit en indien in dat verslag evenmin verzocht wordt om nadere inlichtingen of uitleg.
De kamer kan om mondelinge uitleg verzoeken omtrent de punten die ze aangeeft. Te dien einde stelt ze bij een beschikking, die de hoofdgriffier ter kennis brengt van de partijen en van de auditeur, de datum vast waarop de partijen en de auditeur zullen worden gehoord.]1
1. – Vervangen bij art. 25 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 27.
De aanwezigen wonen de zitting bij met onbedekt hoofd, eerbiedig en in stilte; hetgeen de voorzitter met het oog op de handhaving van de orde beveelt, wordt stipt en terstond uitgevoerd.
Hetzelfde voorschrift wordt nageleefd in de plaatsen waar, hetzij de 1[staatsraden]1, hetzij de leden van het auditoraat de functies van hun ambt waarnemen.
1. – Lid 2 gewijzigd bij art. 57, § 2, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 28.
1[De partijen en hun advocaten worden vijftien dagen vooraf in kennis gesteld van de datum van de terechtzitting.]1
1. – Vervangen bij art. 26 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 29.
1[Een andere 2[staatsraad]2 dan degene die eventueel het aanvullend verslag over de onderzoeksverrichtingen heeft opgemaakt, 3[zet de stand van de zaak uiteen]3.
4[...]4 De partijen en hun advocaten kunnen mondelinge opmerkingen naar voren brengen.
Geen andere middelen mogen worden aangevoerd dan die welke in het verzoekschrift of in de memorie zijn uiteengezet.
Aan het einde van de debatten, geeft het lid van het auditoraat 5[...]5 zijn advies over de zaak.
De voorzitter van de kamer verklaart daarna de debatten voor gesloten en houdt de zaak in beraad.]1
1. – Vervangen bij art. 5 K.B. 15 juli 1956, B.S., 10 augustus 1956
2. – Lid 1 gewijzigd bij art. 57, § 1, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
3. – Lid 1 gewijzigd bij art. 27, 1°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
4. – Lid 2 gewijzigd bij art. 27, 2°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
5. – Lid 4 gewijzigd bij art. 27, 3°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Hoofdstuk II - DE VERWIJZING NAAR DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING
Art. 30.
Zo er grond bestaat tot verwijzing naar de algemene vergadering van de afdeling, wordt 1[de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt]1 hiervan door de kamer in kennis gesteld.
1. – Gewijzigd bij art. 57, § 5, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 31.
Bij bevel gelast 1[de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt]1 een 2[staatsraad]2 verslag uit te brengen over de stand van de zaak. De aangewezen 2[staatsraad]2 kan zich door de leden van het auditoraat laten bijstaan.
1. – Gewijzigd bij art. 57, § 5, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
2. – Gewijzigd bij art. 57, § 1, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 32.
Door 1[de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt]1 wordt de algemene vergadering van de afdeling bijeengeroepen en voor het overige wordt gehandeld in overeenstemming met het bepaalde bij artikelen 13 tot 29. De bij artikel 15 voorziene termijnen gaan evenwel slechts in met de dag waarop 1[de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt]1 een verslaggever heeft aangewezen.
1. – Gewijzigd bij art. 57, § 5, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Titel III - DE 1[...]1 ARRESTEN
1. Opschrift gewijzigd bij art. 28 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 33.
1[...]1
1. – Opgeheven bij art. 29 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 34.
1[2[Het arrest]2 bevat de gronden en het beschikkend gedeelte en vermeldt:
1° 3[de namen, de woonplaats of de zetel van de partijen, de door hen gekozen woonplaats en, in voorkomend geval, de naam en de hoedanigheid van de persoon die deze vertegenwoordigt;]3
2° de bepalingen op het gebruik der talen, die zijn toegepast;
3° de oproeping van partijen, van hun advocaten 4[...]4, alsmede hun eventuele aanwezigheid op de terechtzitting;
4° 5[het feit dat het advies van het lid van het auditoraat al dan niet overeenstemt met het arrest;]5
5° de uitspraak in openbare terechtzitting, de datum daarvan en de namen der 6[staatsraden]6 die er over hebben beraadslaagd.]1
1. – Vervangen bij art. 6 K.B. 15 juli 1956, B.S., 10 augustus 1956
2. – Inleidende zin gewijzigd bij art. 30, 1°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
3. – 1° vervangen bij art. 30, 2°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
4. – 3° gewijzigd bij art. 30, 3°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
5. – 4° vervangen bij art. 30, 4°, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
6. – 5° gewijzigd bij art. 57, § 2, K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 35.
De 1[...]1 arresten worden door de voorzitter en de griffier getekend.
1. – Gewijzigd bij art. 31 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Titel IV - BETEKENING EN UITVOERING
Art. 36.
1[De arresten worden door de griffier ter kennis gebracht van de partijen.
Evenwel wordt bij gewone brief een ongezegeld afschrift toegezonden van de arresten die besluiten tot uitdrukkelijke afstand of tot een vermoeden van afstand of die de afwezigheid van het vereiste belang vaststellen, met toepassing van de artikelen 17, § 4ter, en 21, tweede en zesde lid, van de gecoördineerde wetten, van de arresten waarin een zaak van de rol wordt geschrapt, alsmede van de arresten waarin besloten wordt dat het beroep doelloos is.]1
1. – Na wijziging, vervangen bij art. 32 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Art. 37.
1[De arresten zijn van rechtswege uitvoerbaar. De Koning verzekert hun uitvoering. De griffier brengt op de uitgiften, na het beschikkend gedeelte, en naar gelang van het geval, een der hiernavolgende uitvoeringsformulieren aan:
«Les Ministres et les autorités administratives, en ce qui les concerne, sont tenus de pourvoir à l'exécution du présent arrêt. Les 2[huissiers de justice]2 à ce requis ont à y concourir en ce qui concerne les voies de droit commun.
De Ministers en de administratieve overheden, wat hen aangaat, zijn gehouden te zorgen voor de uitvoering van dit arrest. De daartoe aangezochte 3[gerechtsdeurwaarders]3 zijn gehouden hiertoe hun medewerking te verlenen wat betreft de dwangmiddelen van gemeen recht.
De Minister und die Verwaltungsbehörden haben, was sie anbetrifft, für die Vollstreckung dieses Beschlusses zu sorgen. Die dazu angeforderten Gerichtsvollzieher haben betreffs der gemein rechtlichen Zwangmittel ihren Beistand zu leisten.»
De uitgiften worden afgegeven door de griffier die ze tekent en ze met het zegel van de Raad van State bekleedt.]1
1. – Vervangen bij art. 1 K.B. 29 april 1959, B.S., 27 mei 1959
2. – Lid 2 gewijzigd bij art. 48, § 4, wet 5 juli 1963, B.S., 17 juli 1963
3. – Lid 3 gewijzigd bij art. 48, § 4, wet 5 juli 1963, B.S., 17 juli 1963
Art. 38.
1[...]1
1. – Opgeheven bij art. 53 K.B. 30 november 2006, B.S. 1 december 2006, err., B.S. 4 mei 2007, inwerkingtreding: 1 december 2006 (art. 57)
Art. 39.
In geval van vernietiging of van wijziging worden de arresten bekendgemaakt in dezelfde vormen als de akten, reglementen of beslissingen die vernietigd of gewijzigd werden.
De Raad van State beslist of het arrest geheel of gedeeltelijk dient bekendgemaakt.
1[Deze bekendmaking wordt onverwijld gedaan door de verwerende partij, op verzoek van de hoofdgriffier.]1
1. – Lid 3 vervangen bij art. 33 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
Titel V - VERZET, DERDEN-VERZET EN 1[BEROEP TOT HERZIENING]1
1. Opschrift aangevuld bij art. 1 K.B. 17 november 1955, B.S., 2 december 1955
Hoofdstuk I - HET VERZET
Art. 40.
Zijn alleen vatbaar voor verzet, de arresten gewezen op grond van 1[de artikelen 14, §§ 1 en 3, en 16 van de gecoördineerde wetten]12[...]2.
Het verzet schorst de uitvoering niet, tenzij er anders over beslist wordt, hetzij in het arrest, hetzij bij een later bevelschrift.
1. – Lid 1 gewijzigd bij art. 34 K.B. 25 april 2007, B.S. 30 april 2007, inwerkingtreding: 1 juni 2007 (art. 100)
2. – Lid 1 gewijzigd bij art. 13, 2°, K.B. 15 juli 1956, B.S., 10 augustus 1956; men leze «artikelen 14 en 16 van de gecoördineerde wetten»